Articulatiestoornissen

Jonge kinderen leren geleidelijk aan om alle klanken te produceren die wij in onze taal gebruiken. Wanneer een kind bepaalde klanken nog niet kan produceren, die leeftijdsgenoten wel al kunnen gebruiken, spreken we van articulatiemoeilijkheden. Geleidelijk aan  wordt de moeilijke klank aangebracht, ingeoefend en in de spontane spraak geïntegreerd.

 

Het komt ook voor dat articulatieproblemen samen voorkomen met slikproblemen of afwijkend mondgedrag. Ook dit kan aan bod komen binnen de therapie. Voor meer info hierover kan je een kijkje nemen op het tabblad 'afwijkend mondegedrag - OMFT'

Fonologische stoornis

Wanneer de articulatieproblemen verder gaan dan bijvoorbeeld een /R/ of een /s/ die niet (correct) geproduceerd wordt, spreekt men van een fonologische stoornis. Bij een fonologische articulatiestoornis heeft een kind moeite bij het gebruik en het contrasteren van klanken en woorden. Klanken worden bijvoorbeeld korter dan normaal of woorden worden vereenvoudigd door het toepassen van fonologische vereenvoudigingsprocessen. Een aantal voorbeelden van deze vereenvoudigingsprocessen kunnen zijn: spin --> pin, kaas --> taas, sok --> tok, ...

 

Wanneer er sprake is van een fonologische stoornis is er ook nood aan een fonologische aanpak. Zo is er bijvoorbeeld de methode volgens Hodson & Paden waarmee gewerkt kan worden met zeer jonge kinderen (vanaf +/- 3 jaar). Deze methode richt zich op kinderen met zeer moeilijk verstaanbare spraakpatronen en werkt in verschillende cyclussen.